Ik zit in bad terwijl ik dit schrijf. Eén van mijn katten is in zijn toch zo begrijpelijke taal aan het spinnen en murmelen op de kruk naast het bad. Misschien is deze vriendelijke aanwezigheid precies wat ik nodig heb om te kunnen schrijven over mijn gemis van de afgelopen maanden.

Ik wist steeds niet goed welke woorden ik moest gebruiken, mocht gebruiken, kon gebruiken. Soms zijn er nog geen woorden en volgt het onder woorden brengen pas later.

Ook bleef ik me afvragen welke woorden voldoende eer zouden brengen. Eer is een perceptie en heeft weinig nut voor een overledene. We verwarren eer vaak met in ere houden. De herinnering koesteren in plaats van louter aanprijzen. Koesteren is minder oordelend, aanprijzen is meer sociaal wenselijk; anders noemen we de overledene ook wel ‘de onvolprezene’.

Aan sociale wenselijkheid heb je weinig wanneer je rouwt. Wenselijkheid leidt tot samen alleen zijn en daarmee tot een onwenselijke eenzaamheid van onverenigbare dimensies. Soms is dit goed, want iedereen mag in rouw een eigen verwerkingswijze hebben. Maar continue eenzaamheid wordt pijnlijk, zonder enig raakvlak of zonder openheid naar elkaars ervaringen met de gestorvene. Of wanneer je niemand anders echt kent of weet te vinden die om dezelfde persoon rouwt. Dat tornt aan de zelferkenning in rouw. Het alternatief is om met anderen in contact te komen en omtrent rouw de verbinding aan te gaan. Zo luister je naar elkaars verhalen, maar elkaar daadwerkelijk horen blijft lastig bij gebrek aan gemeenschappelijke herinneringen.

Absurde tijden zoals deze geven het delicate rouwproces naar buiten toe weinig ruimte. Het innerlijke golfslagbad dat dit teweegbrengt maakt rouw onlosmakelijk verbonden met de online en offline draaikolken van opinies, gedachten, meningen, uitingen, geluiden en uiteenspattende golven van vals collectivisme. Dit leidt tot een gevoel van verslagenheid terwijl er nooit een wedstrijd was. Als verliezen in de leedwedstrijd van elkaar overschreeuwen. Ik weiger te schreeuwen. Ik schrijf liever, want dat laat ruimte voor nuances, waaraan zo’n gebrek lijkt te bestaan.

Iemand is overleden. Dat is een feit. Een heel filosofisch persoon. Diepzinnig en sensitief. Veel raakvlakken. Hij liep vast, maar niet continu. Hij ging kapot, ook al was dit resultaat niet zijn bedoeling. Ik ben er nog en blijf voorlopig wel.

Is hij nu al vergeten omdat hij nooit beroemd werd? Of zijn de mensen die hem ook hebben gekend ondergedompeld in hun eigen verdriet, terwijl zij zich staande proberen te houden in deze gekke tijd?

Het is een paar maanden geleden gebeurd. Intussen zat ik, happend naar lucht, opgesloten onder het wateroppervlak van mijn tranenzee.

Ogenschijnlijk hield ik mezelf staande. Ik was anderen aan het helpen. Steeds anderen. Almaar anderen.

Vanwege eigen urgentie is andermans urgentie even niet meer urgent voor mij. Dit bedoel ik niet egoïstisch. Ik ben niet de enige helper. Gelukkig niet. Ik doorbreek het helpende patroon, waarbij het maar de vraag is in hoeverre het wordt gewaardeerd of welkom is. En dan is het afwachten of en wanneer het wenselijk is. Ik ga even niet helpen; misschien is dat wel het meest helpend voor iedereen.

Ik heb mijn momenten genomen om de realiteit van het verlies te zien. Om onze berichten terug te lezen, om onze audioberichten terug te luisteren. Allemaal heel echt. Wij zouden.

Iemand in ontwarring, onderweg naar een fijne omgeving, voortijdig verstrikt geraakt in onwenselijke, soms onmenselijke situaties, bedreigd, achtervolgd op zijn pad dat hij in vlagen weer helder voor zich zag, als hij niet werd beïnvloed door ogenschijnlijk propere, doch duistere huichelaars, narcisten en kwakzalvers die ik niet in mijn buurt zal dulden, ook niet in vals gemeenschappelijke rouw.

27 jaar. De maximale leeftijd van de roemruchte Jimi Hendrix, Kurt Cobain, Amy Winehouse en Janis Joplin. En van de roemloze filosoof. En tegelijkertijd met een erfenis zonder leeftijd. De herinnering heeft geen leeftijd.

Het is duizelingwekkend. Mijn vermoeide lijf tintelt en ik laat het zijn. Dan maar even teruggetrokken opladen. Beter dan onbedoeld angst aanjagen via een vervormde spiegel vanwege een nog woordeloze overbrenging van complexiteit. Graag of niet. Dan niet. Nu niet. Niet nu. Nee dankje.

Ik verdwijn onder het wateroppervlak van het volle bad, om langzaam naar het oppervlak te drijven. Rustig water doet drijven, verzacht het gemis.

Ik vraag je niet om mij te helpen. Ik vraag je alleen om dit te lezen. Dankjewel.

Ontdek de voordelen van onbeperkte toegang >