Jarenlang heb ik moeten leven met het idee “te veel” te zijn. Alsof ik als een Icarus continu te hoog dreigde te vliegen, waardoor ik zou neerstorten.

Dan kan je beter minder hoog vliegen, een toontje lager zingen, de stille wateren zijn waar anderen zo mooi op kunnen drijven.

Ondertussen zie je mij niet meer. Dat water was er toch altijd al? Hoe kunnen er dan zulke grote golven en stromingen in ontstaan?

We moeten een dam bouwen. Zo kunnen we er gereguleerd energie aan onttrekken. En dan laten we het water lekker ophopen in een reservoir.

Ik voel me nog wel eens in stilte moe, ziek of somber, na een jeugdige gewenning aan zelfredzaamheid. Mijn vrijgevigheid, capaciteit om als onzichtbare vennoot vrienden te verbinden, manieren om in stilte hemel en aarde te bewegen om iets voor elkaar te krijgen, vaak voor anderen: het is tijd om die vaardigheden meer voor mezelf in te zetten en zo meer liefde te ontvangen –

ik hoef mezelf niet in slaap te huilen, slapeloos in pijn gewiegd door een schuldgevoel over honderd scenario’s die ooit mijn tranenmeer hadden kunnen versieren, als ik maar anders was geweest,

ik hoef vlagen en uitwassen van depressie niet te verbergen, geen vragen en verrassingen van dubieuze intentie tijdens het laagtij aan mijn rotsachtige kustlijn te accepteren,

ik hoef de wispelturige getijdenstroming van een chronische ziekte niet buiten het zicht te houden als je niet aan mij ziet hoe koud de intens gevoelde onderstroom soms kan zijn,

ik hoef geen gratis gunst te bieden en je als vriendendienst naar de overkant van mijn zilte zee laten varen, waar je zonder mij verder gaat,

ik hoef niet mijn moeders moeder te zijn, maar ben slechts een basin, gevuld door de soms vervuilde, door mijn voorvaderen aangelegde rivieren.

“Te veel” komt slechts voort uit de projectie van iemand die de overkant niet kan zien.

Ontdek de voordelen van onbeperkte toegang >